Verhaal Filiaal
Ballet
Ga naar de inhoud

Kantjes van Ka

Tekst en afbeeldingen door Ada van Hoof

Jan is dijkwerker. De tijden dat er geen werk is, helpt hij bij de aannemer Willem met de restauratie van de grote vuurtoren. Jan heeft geen hoogtevrees en zit vaak in het bakje dat langs de gevel hangt. Hij moet de voegen tussen de stenen uitkappen en opnieuw voegen. Jan is trots op zijn werk aan de dijk en op zijn werk bij de toren. Hij heeft het gevoel dat zijn werk ertoe doet, niet alleen voor nu, maar ook voor de komende honderd jaar.

We zijn in het Westkapelle van 1928. Ka is 40 jaar oud en getrouwd met Jan. Samen hebben ze zes kinderen, één meisje en vijf jongens. Dochter Jannie is de oudste, ze is 17 jaar. De vijf jongens kwamen daarna snel achter elkaar, elk jaar een zoon. Het jongste kind is dus 12 jaar. Op papier hebben ze acht kinderen, maar de jongste twee kinderen, een jongen en een meisje, zijn een paar maanden geleden aan TBC overleden.

In de uren dat Jan niet werkt, helpt hij Ka in de tuin achter hun huis. Daar verbouwen ze groentes en aardappelen voor eigen gebruik. Ze hebben kippen die voor de eieren zorgen en een varken.

Dat varken krijgt afval van de groentes, aardappelen en de etensresten van het gezin, als die er zijn met zoveel eters aan tafel.

Samen met de ouders van Ka hebben ze een koe. De melk is voor het gezin van Ka.
Het vlees van de koe wordt gedeeld tussen de ouders, Ka en haar broer die alleen is.

Het is de tijd van de crisisjaren. Veel dorpen op Walcheren zijn in het begin van deze eeuw nog gesloten gemeenschappen waarvan de inwoners graag op zichzelf leven. Elk dorp heeft zijn eigen kenmerken, zelfs wat de kleding van de inwoners betreft. Ka loopt in de Westkappelse klederdracht net als dochter Jannie. Klederdracht is niet goedkoop en daarom is Ka stiekem blij dat ze maar één dochter heeft.
Voor de jongens is het wat eenvoudiger, die kleren zijn stevig, gaan jarenlang mee waardoor de jongens in elkaars kleren passen.

De meeste mannen in het dorp werken aan de dijk of op het land.
Er is een eigen dialect en er zijn bijzondere tradities.
Ook het karakter van de Westkappelaar is anders dan op andere dorpen op Walcheren. Ze haten koude vormelijkheid, beleefdheidsgebaren, onderdanigheid en vleierij.

Er is een kantklos vereniging  waar vooral meisjes uit de middenklasse aan mee doen. Omdat Ka schoonmaakwerk doet in de kerk heeft Ka geluk, ze mag ook. Ka klost heel goed, ze is een natuurtalent. Er zijn regelmatig tentoonstellingen, waarop het kant wordt verkocht. Vooral het kant van Ka vindt gretig aftrek. De vrouwen worden steeds vaker gevraagd om hun kunnen te demonstreren. Dat zijn heerlijke uitjes. Voor dag en dauw staan de dames op om zich op hun mooist in de klederdracht te presenteren.

Hun ontwerpen voor kleedjes en brede kanten zijn bijzonder en trekken de aandacht van velen, wat opmerkelijk is omdat zij alleen maar les hebben gehad in de basis. Later zullen ze zelfs nog kantklossen voor de koningin.

Ka heeft ook nog een geheimpje met haar kantjes. Ze heeft een kantje gemaakt voor aan haar ondergoed. De pijpjes van haar onderbroek zijn afgezet met een kantje met roosjes en ook op haar hemd heeft ze met kleine fijne steekjes een kantje gezet. De eerste keer dat Jan dat zag…… Ze draagt het regelmatig. Als het gewassen moet worden hangt ze het te drogen op een plekje waar niemand het kan zien. Niet aan de waslijn. Stel je toch voor!

Beeld en taal vertellen samen het verhaal
Terug naar de inhoud